Ronald van Dam (43) is freelance sportjournalist. Hij is als commentator werkzaam voor Sport1, NOS Langs de Lijn en RTL GP, schrijft voor Helden en houdt zich parttime bezig met de pr en communicatie voor de basketbalbond en de honk- en softbalbond.
Happy end
02-03-2010
Wat ben ik schijterd. Altijd al geweest en dat zal ook wel niet veranderen. Dus daar lag ik met mijn handen voor mijn ogen onder de bank toen snowboardster Nicolien Sauerbreij in de finale op de reuzeslalom aan haar beslissende run begon.
Het was weer net alsof ik op zaterdagavond als ventje van acht mocht opblijven om naar Q & Q te kijken. Voor de wat jongere lezers van mijn column: Q en Q was een spannende jeugdserie in dertien delen die in 1974 op tv kwam en – geloof het of niet – gemiddeld 3,1 miljoen kijkers trok.
Q en Q gaat over twee vrienden, Quarles van Ispen en Wilbur Quant, die in het bos graag vogels fotograferen. Iedereen heeft recht op een hobby, maar daar gaat het hier even niet om. Bij het ontwikkelen van de foto’s blijken ze per ongeluk een dode man te hebben gefotografeerd. Wat dan volgt zijn dertien bloedstollende afleveringen, althans zo heb ik dat destijds ervaren. Ik keek de serie van achter de bank, loerde af en toe eens over de leuning, maar als het te spannend werd dook ik meteen weer weg. Een paar jaar terug heb ik van iemand de dvd van Q & Q geleend. Ik begrijp niet ik wat me destijds bezielde. Zelden zo’n duffe serie gezien. Een willekeurige aflevering van Mega Mindy is spannender.
Duf viel de ontknoping op Cypress Mountain niet te noemen. Sauerbreij had de eerste run met tweehonderdste verschil verloren van haar Russische rivale Ekaterina Ilyukhina. Het moest dus allemaal gebeuren in de tweede run. Het idee dat het ook mis kon gaan – ik had net de mannen op de ploegenachtervolging bij het schaatsen hopeloos zien falen in de halve finale tegen Amerika – zorgde ervoor dat ik over mijn hele lichaam begon te trillen. Ik begroef mijn hoofd in een kussen, wreef over mijn kale kruin, nam een slok van mijn bier en vluchtte toen naar de wc. Mijn vrouw bekeek het tafereel met een mengeling van ongeloof en hoon. Was ze echt met deze malloot getrouwd?
Toen ik na een tijdje weer terug kwam waren we een gouden medaille rijker. En zo kregen deze Winterspelen na de val van Annette Gerritsen, de verkeerde wissel van Sven Kramer, de weigering van Edwin van Calker om de Bob te zijn en het debacle op de ploegenachtervolging toch nog een happy end voor Nederland. Acht medailles, vier keer goud en tiende in het medaille klassement, nog voor Rusland dat over vier jaar de Winterspelen mag organiseren. Wat nou tegengevallen? Hoezo gefaald? We hebben verdorie voor het eerst een medaille in de sneeuw gewonnen. Nederland, het land van de dijken, de polders en één berg van 140 meter hoog. Ik moet de eerste Oostenrijker die iets fatsoenlijks op schaatsen presteert nog tegenkomen.
Vanaf vandaag zit ik in een wak, om nog even in de sfeer van Vancouver te blijven. Het is voorbij. Gelukkig kunnen we al gaan aftellen naar Londen 2012. Maar eerst ga ik nog eens op mijn gemak de gouden race van Nicolien terugkijken. Dit keer gewoon op de bank.
GIJS
26-02-2010
Met alle respect voor al die schaatsers, skiërs, snowboarders, bobsleeërs, langlaufers en de rest van de atleten in Vancouver, mijn favoriete sport op de Winterspelen is en blijft ijshockey, de koning der wintersporten. Die liefde dateert al uit mijn jeugd. Eind jaren zeventig – ik was een tiener – stapten mijn drie jaar oudere broer en ik steevast op zaterdagavond in onze toenmalige woonplaats Utrecht op de trein naar Groningen om twee uur later de ijshockeyers van GIJS aan het werk te zien. Aangezien mijn vader machinist was bij de Nederlandse Spoorwegen kon het hele gezin gratis met de trein reizen.
De trein arriveerde stipt vijf voor acht in Groningen – in die tijd reden treinen nog gewoon op tijd – waar mijn sportgekke oom, die in het hoge noorden woonde, ons al ongeduldig stond op te wachten. Drie minuten later parkeerde hij de auto bij de ijshal, zodat we precies op tijd waren om getuige te zijn van de eerste face-off.
GIJS Groningen bestond in die tijd vooral uit Nederlandse Canadezen, jongens die in hun geboorteland Canada ijshockey met de paplepel ingegoten hadden gekregen en ergens ook nog Nederlands bloed door de aderen hadden stromen. Jongens die niet goed genoeg waren voor de National Hockey League, de absolute top in hun eigen land, maar die als ‘Nederlander’ het niveau van de Nederlandse competitie enorm omhoog tilden. GIJS, gesponsord door de Bondsspaarbank, behoorde met spelers als Herbie Redshaw, Brian Sproxton, Al Pluymers, Rick van Gog, Rob van Onlangs, en Henk Krikke tot de top van Nederland, maar verloor in die periode – als het er op aan kwam – wel steevast van aartsrivaal Feenstra Flyers uit Heerenveen. Mij kon dat laatste niet zoveel schelen als ik maar een verdwaalde puck of een kapotte stick als souvenir mee naar huis kon nemen. En dat mijn oom de kaartjes, de erwtensoep en broodjes worst voor ons betaalde maakte het feest elke zaterdag helemaal compleet.
De grote hoeveelheid Nederlandse Canadezen in de hoogste divisie zorgde er in die tijd voor dat het Nederlands team zich wist te kwalificeren voor de Olympische Winterspelen in Lake Placid. Door het tijdsverschil zaten mijn broer en ik zonder dat onze ouders dat wisten in het holst van nacht voor een kleine zwart/wit tv om naar de wedstrijden van het Nederlands team te kijken. Oranje met Jack de Heer, Leo Koopmans, Corky de Graauw, Larry van Wieren en een toen nog piepjonge Ron Berteling was kansloos tegen toplanden als Canada (10-1), de Sovjet-Unie (17-3) en Finland (10-3), maar verloor maar net van Polen (5-3) en speelde zelfs gelijk tegen Japan: 3-3.
Het hoogtepunt van die Spelen was voor mijn broer en ik de keiharde bodycheck van ‘onze’ Rick van Gog op de Canadese vedette Guy Lafleur, bijgenaamd The Flower. Lafleur, die met de Monrtreal Canadiens vijf keer de Stanley Cup veroverde in de NHL, ging keihard tegen het ijs. The Flower knakte als een bloempje in een storm. Hij had geen idee wat hem was overkomen. Uiteindelijk kwamen vader en moeder Van Dam er toch achter dat we ’s nachts stiekem naar ijshockey hadden zitten krijgen. Deze veertienjarige kon namelijk door al dat tv kijken ’s ochtends zijn ogen niet meer open doen. Die zaten dicht gekoekt als gevolg van een hoornvliesontsteking. Voor straf mochten we een maand niet naar GIJS in Groningen.
Horror
25-02-2010
De man die niet kon verliezen! Hulde aan de koppenmakers bij de Volkskrant. Beter kun je de horrorfilm die in Vancouver tijdens de tien kilometer schaatsen voor mannen werd vertoond niet in woorden vangen. Sven Kramer. De man die niet kon verliezen. Maar toch verloor. Bijna had ik het gemist. Dat zat zo. Ik was de hele avond in Tilburg om het ijshockeyduel tussen de Tilburg Trappers en Eindhoven Kemphanen te volgen (zaterdagmiddag a.s. om vier uur te zien bij RTL!). Meteen na de beslissende goal van Andrew Schembri die de Kemphanen een verrassende 5-3 zege bezorgde in het hol van de leeuw, sprintte ik naar mijn fout geparkeerde auto. Dat laatste is een hobby van me, maar daar gaat het nu even niet om. Over het stuk snelweg Tilburg en Breda doe je normaal twintig minuten, maar het kan ook in vijftien minuten, weet ik nu. En ik weet ook dat mijn Toyota Corolla best hard kan. En dat er met mijn inhaalmanoeuvres ook niets mis is. Vooral die rechts over de vluchtstrook langs een verbouwereerde Ford K zou in de Formule 1 niet hebben misstaan. Jos Verstappen zou trots op me zijn geweest.
Onderweg luisterde ik geboeid naar Sebastiaan Timmerman en Erben Wennemers die voor Radio Olympia nog iets probeerden te maken van de krankzinnige race van Bob de Jong waar niemand een touw aan vast kon knopen, Bob zelf al helemaal niet. En zij konden natuurlijk ook niet weten dat het gejojo van De Jong toch nog goed zou zijn voor brons. Net op het moment dat Sven Kramer van start ging tegen de Rus Skobrev kwam ik voor ons huis met piepende banden tot stilstand. Precies op tijd om Sven zijn tweede gouden medaille te zien winnen.
En toen gebeurde het. De man die niet kon verliezen verloor. Gerard Kemkers hield een wit bordje omhoog dat aangaf dat Kramer al 2,9 seconden sneller was dan de opnieuw verrassende Koreaan Lee, de snelste op dat moment. Kemkers wees, hij schreeuwde en thuis op de bank dachten mijn geliefde en ik dat Sven er nog even versnelling tegenaan gooide. Mijn vrouw wilde van de ASICS-columnist weten of dat niet een beetje overmoedig was? Nee hoor, antwoordde ik stoer. Sven gaat zijn goud nog even van wat extra glans voorzien en wil en passant die Koreaan duidelijk maken dat hij de komende twaalf jaar niet aan een Olympische titel hoeft te denken.
Gefopt. Sven was op aanwijzing van zijn coach de binnenbaan in gedoken terwijl hij buiten had moeten blijven. Wat er vervolgens gebeurde heeft iedereen zelf kunnen zien, daar hoef ik de rest van deze column niet meer voor te gebruiken. Mart Smeets probeerde het in de nabeschouwing meteen maar te relativeren. Ook dit hoort bij de sport, oreerde hij. Ja, daar hadden we thuis wat aan. En dus bleven we maar vol ongeloof naar de tv staren. Hopende dat de man die niet kon verliezen alsnog goud won. Maar hij verloor. Steeds maar weer.
Goud!
22-02-2010
Het kost een paar uur slaap, maar dan heb je ook wat. Wat een race van Mark Tuitert in Richmond op de 1500 meter, het koningsnummer van het schaatsen. Ard Schenk, de laatste gouden medaillewinnaar voor Nederland op de Schaatsmijl in 1972, heeft eindelijk een opvolger. Tuitert had al een bronzen medaille, overgehouden aan de Olympische Winterspelen in Turijn op de ploegenachtervolging, maar die plak is natuurlijk niet meer dan het deksel van een conservenblik vergeleken met dit goud.
Ik beken ruiterlijk dat ik de overkill aan schaatsen op tv (lees: al die World Cups die de NOS uitzendt) doorgaans aan me voorbij laat gaan, maar voor de Winterspelen maak ik graag een uitzondering. Het mooie van schaatsen op zulke momenten vind ik het gevecht dat de sporter met zichzelf moet leveren. Je hebt misschien nog wat aan je tegenstander, maar als de benen niet willen wat het hoofd vraagt wordt het niets.
Voor het radioprogramma Langs de Lijn versla ik sinds vorig jaar de races in de Formule 1, maar ik volg de koningsklasse van de autosport als verslaggever al vanaf 1997. Twee dingen zijn me inmiddels wel duidelijk geworden: Formule 1 is geen sport en Formule 1 is niet eerlijk, wat het overigens – met dank aan alle intriges, roddel en achterklap – niet minder boeiend maakt. In de Formule 1 wint niet de beste coureur maar de snelste auto. Het beste bewijs daarvoor leverde Jenson Button in 2009. Als coureur van Honda reed hij twee jaar op rij vooral voor spek en bonen mee in een bolide die nog het meeste weg had van een trapauto. Maar toen teambaas Ross Brawn (Honda heette inmiddels Brawn Grand Prix) hem een auto gaf die beter was dan die van de concurrentie begon Button ineens in rap tempo races te winnen, met de wereldtitel als beloning. Maar die titel kan voor zeventig procent op het conto van Buttons auto worden geschreven, de rest deed Button zelf. Daarmee wil ik overigens niets af doen aan diens prestatie, maar zonder een snelle, betrouwbare auto word je in de Formule 1 geen wereldkampioen. Zelfs de dit seizoen terugkerende Michael Schumacher niet.
Mark Tuitert pakte het Olympisch goud in Canada helemaal op eigen kracht. Daar kwam geen krachtbron met acht cilinders en achthonderd paardenkrachten aan te pas. Tuitert deed het zelf, reed de race van zijn leven. Elke slag was raak en daardoor was Tuiterts tijd van 1.45.57 zelfs de gedoodverfde winnaar Shani Davis te machtig.
Daar zat ik. In het holst van de nacht met mijn oranje Beanie (hip woord voor muts) van ASICS op mijn hoofd. Het liefst was ik iemand in de armen gesprongen, maar vrouwlief en het kroost lagen boven vredig op één oor. Het bleef zodoende bij een ingehouden kreet, een gebalde vuist en een paar pompende bewegingen met de rechter elleboog waarvoor Lee Towers zich niet zou schamen. Geweldig. Ik had het voor geen goud willen missen.
De Berg
19-02-2010
Je verzint het niet. Inderdaad, ik moet alweer een column met deze zin beginnen. Het Olympisch goud van Sven Kramer op de vijf kilometer is sommigen kennelijk al naar het hoofd gestegen. Want als het aan Kramers zaakwaarnemer Ron Mulder ligt gaan we de Olympische Winterspelen naar Nederland halen. Echt, dat zei hij in een interview met het Financieel Dagblad.
Voordat u denkt dat ik op kosten van Asics.nl probeer de lolbroek uit te hangen eerst maar even een citaat uit het betreffende interview. Ron Mulder: “Ik ben ervan overtuigd dat de Winterspelen beter bij ons passen dan de Zomerspelen. De Winterspelen zijn compacter en kleiner en volgens mij veel goedkoper. We bouwen gewoon een berg van duizend meter in de Randstad.”
Nou heb ik zaakwaarnemers nooit vertrouwd, maar het lijkt mij dat Sven Kramer zo snel mogelijk af moet van deze man die en passant ook nog even zegt dat hij Kramer 4,5 miljoen euro per jaar gaat laten verdienen na diens gouden zegetocht door Vancouver. Megalomane mafkees. Typisch weer zo’n sportmarketeer die het succes van ‘zijn’ sporter misbruikt om zijn ego wat op te poetsen en wat losse flodders de wereld in te schieten.
De Winterspelen naar Nederland? Goed idee, Ron. Een land dat al sinds 1997 geen Elfstedentocht meer heeft kunnen organiseren omdat het niet koud genoeg is, een land dat bij het eerste vlokje sneeuw al ontaardt in een totale verkeerschaos, zo’n land lijkt mij ook het ideale decor voor de Winterspelen. IJshallen en ijsbanen genoeg. Langlaufen en biathlon doen we in de Limburgse heuvels. We bouwen een bobsleebaan op het Malieveld in Den Haag en in de Flevopolder is zat ruimte voor die berg van duizend meter hoog. De afdaling eindigt in Emmeloord, de Super G in Lelystad en reuzenslalom op Urk. En het leuke is dat je later ook nog wat aan zo’n berg hebt mocht de zeespiegel onverhoopt blijven stijgen of de dijken nog eens doorbreken. Gaan we lekker met z’n allen op Mulders Mountain zitten, want ik pleit er wel voor dat de Olympische berg wordt genoemd naar de bedenker.
Begrijp me niet verkeerd. Ik hou wel van mensen die groot denken, maar ik hou nog meer van mensen die zich vooral bezig houden met datgene waar ze voor worden betaald. In mijn geval is dat columns schrijven. In Ron Mulders geval is dat het succes van Sven Kramer te gelde maken. Ik hoop voor Sven dat hij die 4,5 miljoen euro per jaar gaat opstrijken (zo’n hockeyende vriendin die shopaholic is kost wat hoor!). Maar ik hoop nog veel meer dat Sven van al die centen ook een bescheiden bedrag aan Mulder overmaakt. Als zwijggeld.
Tulpen
15-02-2010
Je verzint het niet. Had ik net uitgelegd dat ik geen zin meer heb om in mijn columns anderen de maat te nemen, moet ik daar nu al op terug komen. Deze column had eigenlijk moeten gaan over de prachtige ouverture (schitterend Van Dam, waar lees je dat woord nog !?) van schaatser Sven Kramer in Vancouver, maar er zijn dringender zaken aan de orde. Bijvoorbeeld de column van sportverslaggever Sjoerd Mossou in AD Sportwereld van zaterdag 13 februari jongstleden. Inderdaad, de dag waarop Sven het goud pakte op de vijf kilometer.
Sjoerd Mossou is door het AD naar Vancouver gestuurd om verslag te doen van de Olympische Winterspelen. Hij wel. Maar Sjoerd kan veel meer. Sjoerd is columnist en Sjoerd heeft ook verstand van mode, afgaande op zijn column op pagina 3 van het sportkatern. Daarin opent hij de aanval op de Olympische outfit van de Nederlandse ploeg in Vancouver.
Zo schrijft Sjoerd: “Het is sowieso geen gezicht, die outfit van de Olympische ploeg. Dat pak met die enorme tulpen was in de jaren negentig al discutabel, maar de nieuwe creatie slaat alles.”
Sjoerd komt op stoom. Hij vervolgt: “Het oranje is te flets, het design te chaotisch en het lettertype te goedkoop. En dan zijn ze bij Asics tot overmaat van ramp ook nog de winterjas vergeten.”
En dan Sjoerds uitsmijter: “De Nederlanders hebben veel weg van een vijfde klasse amateurteam. Wie niet beter weet, vermoedt dat het derde team van voetbalvereniging Chaam (ook oranjezwart) een gezellig weekendje op pad is.”
Over smaak valt te twisten, maar als Sjoerd Mossou ons wil doen geloven dat de Nederlandse sporters er in Vancouver bijlopen als vogelverschrikkers dienen de feiten wel te kloppen. Allereerst is op de kleding (op een kleintje na) geen tulp te ontdekken. Wie goed kijkt ontdekt dat het chaotische ontwerp waar Sjoerd van rept een adelaar voorstelt, een ontwerp van de Canadese kunstenaar Alano Edzerza.
Kledingleverancier ASICS heeft er bewust voor gekozen om een directe link te maken met een dier dat door de ‘Native Canadians’ wordt gezien als spiritueel wezen. Ik citeer de website van ASICS: De adelaar symboliseert de kernwaarden: Macht, Leiderschap, Wijsheid, Vrede, Vriendschap en Kracht. Deze waarden hebben een nauwe band met de originele Olympische gedachte waarbij Vriendschap en Vrede centraal staat.
Wat die jas betreft. De Volkskrant heeft op de dag van Sjoerds column een foto van chef de mission Henk Gemser in een prachtige oranje water- en windbestendig ‘Shell Jacket’ van ASICS.
En dan nog even Sjoerds voetbalvergelijking. Je zou willen dat het Nederlands voetbalelftal er straks zo bij loopt op het wereldkampioenschap in Zuid-Afrika. Nogmaals, over smaak valt te twisten, maar ik heb toch liever dat Sjoerd Mossou de rest van de Winterspelen over de sportieve prestaties van onze Olympiërs schrijft. En anders vraagt hij maar overschrijving aan naar de moderedactie. Maar ik geef hem weinig kans.
Groentesoep
10-02-2010
Toen ik – pak ‘m beet – twintig jaar geleden voor het eerst columns mocht gaan schrijven voor de regionale krant waar ik toen werkte had ik de stellige overtuiging dat je als columnist ten elke male je pen in gif moest dopen. Ronald van Dam waarschuwt de wereld voor de laatste keer, of zoiets. Ik was een ridder van het vrije woord en een column was de ideale manier om ten strijde te trekken. Kort gezegd: ik vond in die tijd overal wel wat van. Ik vond bijvoorbeeld ook dat je nooit een column met ‘toen’ mocht beginnen. Want zo hadden we dat niet geleerd op de School voor de Journalistiek. Nu heb ik daar maling aan. Ik vond bijvoorbeeld ook dat je na een zin of tien wel moest weten als lezer waar het over zou gaan. U ziet, ook dat kan mij tegenwoordig niet zo veel schelen.
Niet dat ik mijn lezers op asics.nl minacht, maar ik ben inmiddels 43 en achter mijn toetsenbord allang geen ridder meer, eerder een romanticus. Zo weet ik zeker dat zaterdag op de eerste echte dag van de Olympische Winterspelen in Vancouver mijn moeder klaar zal zitten voor de tv om Sven Kramer de eerste gouden medaille voor Nederland te zien winnen.
Sven goud, gaat u niet wat te snel mijnheer Van Dam? Nee hoor. Zijn vriendin Naomi van As – de vrouw met de mooiste reebruine ogen ter wereld – heeft al een gouden plak. Geloof me, Kramer komt niet thuis zonder minimaal twee keer goud te hebben gewonnen, te beginnen op de vijf kilometer.
Terug naar mijn moeder. Die was al schaatsverslaafd in de tijd van schaatshelden Ard en Keessie, ook wel bekend als Ard Schenk en Kees Verkerk. Als er een belangrijke schaatswedstrijd werd uitgezonden – en elke wedstrijd die toen werd uitgezonden was belangrijk, want we hebben het hier over het pré World Cup-tijdperk – zat mijn moeder voor de buis met een schrijfblok om de rondetijden te noteren.
Een gemiddelde zaterdag in huize Van Dam tijdens een Europees of wereldkampioenschap schaatsen begin jaren zeventig – ik was toen een jaar of vijf – zag er ongeveer als volgt uit: moeder op de bank, schrijfblok op schoot. Mijn drie jaar oudere broer naast haar, en ik met een paar autootjes voor de bank op de grond, onder de strenge voorwaarde dat we geen kik zouden geven. Mijn vader vertoefde onderwijl in de keuken om een grote pan groentesoep te maken voor het avondeten, want aan koken deed mijn moeder niet als er schaatsen op tv was. Tegen half vijf – de soep met zelf gedraaide gehaktballetjes was inmiddels klaar – stapte mijn vader op de fiets om een paar straten verderop bij een snackbar een gezinszak friet en vier kroketten te halen. En mijn moeder onderwijl maar rondjes 36 noteren (zo hard, óf zacht, reden ze toen) voor Ard, Keessie en de vier S’en uit Noorwegen (Sten Stensen, Kay Arne Stenshjemmet, Amund Sjøbrend en Jan Egil Storholt).
Zo ging dat jaar in, jaar uit en nog steeds slaat mijn moeder geen schaatsevenement op tv over. Helaas moet ik zaterdag als in Vancouver de vijf kilometer wordt verreden een basketbalwedstrijd verslaan in Weert. Het lot van de sportjournalist. Maar uit solidariteit met mijn moeder eet ik die avond in een snackbar. Friet met een kroket.
Winterberg
27-01-2010
Hoera! We hebben er weer twee medaillekandidaten voor Vancouver bij. Edwin van Calker en Sybren Jansma veroverden in St. Moritz een podiumplaats tijdens een wereldbekerwedstrijd. In een tweemansbob van Nederlandse makelij. Toen ik dat las dwaalden mijn gedachten onmiddellijk af naar een artikel dat ik ooit heb geschreven over bobsleeën in Winterberg. Ik werkte toen op de sportredactie van een regionale krant en had op achterpagina van het maandagse sportkatern een verhalenserie over niet alledaagse sporten. Denk daarbij aan klootschieten, acrogym, vinzwemmen, body building, sjoelen, stratego en ook bobsleeën.
Het leverde prachtige verhalen op. Zo ben ik voor een van mijn reportages eens afgereisd naar het Nederlandse kampioenschap Western Riding, ik meen in Ermelo. Echt waar dat bestaat hier. Het gaat er om wie op de rug van een paard het beste met een lasso overweg kan, kortom wie is de beste cowboy van Nederland? Ik zeg het niet graag van mezelf maar ik kwam terug op de redactie met een briljante reportage met een nog briljanter einde: Zegt de verslaggever tegen de beste Western Rider van Nederland: ‘Gefeliciteerd met uw titel, maar mag ik nu eindelijk mijn handen laten zakken?’
Noem mij gerust de koning van de uitsmijter. Terug naar Winterberg. Het was mijn bedoeling om voor de achterpagina van de krant een mooie reportage te maken over Rob Geurts, een van de Nederlandse bobsleepioniers. Daartoe verbleef ik twee dagen in Winterberg en dus stapte ik bij aankomst in het wintersportdorp meteen de plaatselijke VVV binnen om een overnachtingsplek te zoeken. Zo ging dat toen, zoiets boekte je nog niet via internet. De aardige dame achter de receptie regelde voor mij een niet al te dure kamer bij de familie Hildfeld.
Dat had slechter gekund. De kamer stelde geen moer voor, de dochter des huizes des te meer. Om een lang verhaal kort te maken: ja, ik ben naar de bobsleebaan geweest om wat sfeer te proeven, en ja, ik heb Rob Geurts gesproken, maar mijn verblijf in Winterberg stond toch vooral in het teken van Silke, want zo heette dit beeldschone Duitse meisje van negentien lentes jong. Ik was zelf toen nog achter in de twintig, dus daar maakte niemand een probleem van. Ik zeker niet. En het toeval wilde dat deze Silke als vrijwilligster meehielp bij de kaartcontrole, dus ik kon zonder te jokken op de redactie vertellen dat ik twee dagen lang bij de bobsleebaan had rondgehangen. Wisten zijn veel.
Gelukkig zag Silke mij ook wel zitten. De avond eindigde in de plaatselijke disco Alpenrausch en na wat gezoen hier en daar leek het ons een goed plan om onze Olympische missie voor te zetten in mijn kamertje in huize Hildfeld. Alles ging goed, totdat haar vader de pret kwam bederven. Die man was gewoon wakker gebleven en stond om twee uur ’s nachts achter de voordeur te wachten. Hij stuurde Silke naar haar kamer en nodigde mij uit om nog een glas bier te komen drinken. Dat deed ik maar. Duitsers…! Om met wijlen Herman Kuiphof te spreken: was ik er toch ingetuind!
De trojka
13-01-2010
Ik ben er klaar voor. Laat Vancouver maar komen. De samenwerking tussen Asics en ondergetekende beviel twee jaar geleden tijdens Beijing zo goed dat de officiële kledingsupplier van de Nederlandse Olympische ploeg mij heeft gevraagd om gedurende de komende Winterspelen wederom een aantal columns te gaan schrijven. Logisch. Never change a winning team!
Mijn voorbereiding op de Spelen begon al ruim twee maanden geleden op de Jaap Eden ijsbanen in Amsterdam. Als freelance medewerker van het radioprogramma Langs de Lijn (ik versla de Formule 1) mocht ik de officiële ‘launchparty’ van NOS Sport voor Vancouver 2010 bijwonen. Die bestond uit een drietal clinics (schaatsen, curling en ijshockey), gevolgd door een stamppotbuffet en een optreden van het komische deejayduo Wipneus en Pim. Ik koos voor de ijshockeyclinic en dus probeerde ik mij op een frisse maandagmiddag in een zweterige kleedkamer in al net zo zweterig ijshockeytenue te hijsen. Dat we ons al anderhalf uur voor het begin van de clinic moesten melden leek me aanvankelijk wat overdreven, maar dat was het niet. Voor het aantrekken van een dergelijke outfit alleen al zou je een medaille moeten krijgen. Het betrof hier de kleding en beschermers waar normaal gesproken de spelers van de Amsterdamse eredivisieclub Amstel Tijgers zich in hullen. Ik kan u niet uitleggen welk een euforisch gevoel zich van je meester maakt als je het met zweet doordrenkte pak mag dragen van – in mijn geval – forward Brian Hoogenraad. Ik voelde me…Brian Hoogenraad.
De weg van de kleedkamer naar het trainingsbaantje was lang, maar uiteindelijk bereikte ik zonder blessures de ijsvloer. Daar stond niemand minder dan Ron Berteling, goed voor 231 interlands en tegenwoordig coach van de Amstel Tijgers, ons al op te wachten. Na wat schaatsoefeningen en opdrachten om onze stickhandling te verbeteren was het tijd voor de partijtjes. De groep werd opgedeeld in drie teams: zwart, geel en blauw.
Mijn keuze voor een zwart shirt in de kleedkamer betaalde zich al snel uit. Ik bleek in het team met de meest getalenteerde ijshockeyers te zitten. De winaars mochten blijven staan, de verliezers moesten naar de kant. Wij van zwart bleven maar scoren én spelen. Samen met redacteur Peter Kuyper en regisseur Richard de Wilt vormde ik al snel de DKW-trojka, een variatie op de legendarische KLM-trojka (Vladimir Krutov, Igor Larionov en Sergei Makarov), de Russische doelpuntenmachine van weleer. De ene goal was nog mooier dan de ander en Ron Berteling was onder de indruk. Dat kon je zien. Een uitnodiging voor het Nederlands team was al onderweg. Per slot van rekening maakte Berteling op zijn 41ste ook nog zijn rentree in Oranje. Waarom zou een talent van 43 niet kunnen debuteren? Sterker, ik overwoog naturalisatie tot Canadees. Vancouver, here I come! The Devastating Dutchman.
Ineens schaatste Ron Berteling op me af. Nou ging het gebeuren. Ik voelde het. Op zijn minst zou hij me vragen voor de selectie van Amstel Tijgers. ‘Zeg Van Dam, jij doet toch Formule 1 bij Langs de Lijn?’
‘Ja’, antwoordde ik zelfverzekerd.
‘Lekker blijven doen!’
